Aan het begin van de negentiende eeuw passeerde je op een wandeling van Nijmegen naar Berg en Dal achtereen volgens drie windmolens. De eerste molen was een hoge stelling molen “De Goede Hoop” genaamd, op de tranchotkaart aangeduid met ‘Pelmoolen’.

De tweede of middelste molen stond aan de Berg en Dalse weg, ter hoogte waar nu de St. Maartenskliniek ligt, een grote stenen oliemolen tot Voordeel en Genoegen genaamd, op de tranchotkaart aangegeven als ‘Olijmoolen’. De derde en laatste molen stond boven aan de Stollenbergse weg en was een runmolen, op de tranchotkaart aangeduid als ‘Looymolen’.

nijmegen_01

Panorama vanaf de Belvédère te Nijmegen, aquarel van Derk Anthony van de Wart 1806.

Derk Anthony van de Wart tekende in 1806 vanaf de Belvédère te Nijmegen het “Geldersch Panorama”, welke in acht aan elkaar sluitende platen geëtst zijn. Op bovenstaande ets en aquarel staan de drie molens afgebeeld; geheel rechts de eerste molen, De Goede Hoop, in het midden, molen tot Voordeel en Genoegen en links daarvan de oliemolen aan de Stollenbergse weg.

Wandeling over Hunnerberg 1825;
Onderstaande wandeling een uit het wandelboekje van C. ten Hoet uit 1825, waarin de drie molens benoemd worden, geeft een prachtig beeld hoe deze molens in het landschap lagen.

Boven over den Hunnerberg, en in gelijke rigting met denzelven, loopt de groote Heerbaan op Kleef, welke, vóór den aanleg deze nieuwen straatweg (1824) door Ubbergen in Beek, de meest gebruikelijke weg van Nijmegen op de genoemde stad uitmaakte. Deze weg is, tot op een half uur afstand van Nijmegen, aan weerszijden met ijpenboomen beplant, en verschaft, aan beide zijden, op golvende graanvelden en regt landelijke woningen, des zomers een zeer aangenaam gezigt.

Treffend is het gezigtspunt, welke men alhier, een kwartier ver van de stad, op de hoogte van den eersten molen, naar het noorden toe bekomt. Onverwacht ziet men van daar over den berg heen in de rivier de Waal, die zich als een zilveren band om de Betuwe slingert; voorts de Betuwe zelf met hare onderscheidende torens, en de stad Arnhem met de blaauwende bergen der Veluwe in het verschiet. Eenige schreden verder, aan de zuidzijde van den weg, ligt een dijk of aarden wal, Broerdijk genaamd,welks oorsprong ten eenemale onbekend is, doch vermoedelijk oudtijds tot eene is verschansing opgeworpen; en achter denzelven vertoont zich, in een zacht glooijend dal, een vriendelijk gehucht van boerenwoningen, naast welk gehucht (Hengstdal) het landgoed Berglust met deszelfs kreupelhout, lanen en dennenboschje, naar de hoogte oprijst. Achter den tweeden molen, den op eene aanmerkelijke verhevenheid boven den weg staat, en waarvan den grondslag gezegd wordt, met den eersten omgang des Nijmeegschen torens eene gelijke hoogte hebben, een half uur van de stad, loopt noordwaarts van den grooten weg een smallere landweg (Ubbergse veldweg, Stollenbergeweg), welke bij den derden molen wederom op den grooten weg uitkomt. Deze landweg is voor den wandelaar boven den Heerbaan verkieslijk, vermitst men van denzelven op de Ubbergsche heuvelen en de Ooijse vlakte, met het daarbij hoorende rijke verschiet, op sommige plaatsen, een verrukkelijk gezigt heeft.

Den derden molen, een uur van Nijmegen afgelegen, voorbijgaande zijnde, vertoont zich al aanstonds het aanvallig gehucht Berg en Daal.

Tot zover een citaat van de wandeling van Kleefsche baan tot Wielder, van C. ten Hoet uit 1825.

De eerste molen; molen De Goede Hoop
Op de plattegrond van Nijmegen, een tekening gemaakt in 1733 door Hendrik de Leth, staat bij de Hersteegs poort vermeldt “Allee na de Pel molen, weg na Kleef “, mogelijk stond hier een standaard molen als voorganger op de rond 1750 gebouwde stenen stellingmolen. Ook op een kaart van Suchtelen uit 1752 komt de Pelmolen aan de Berg en Dalse weg al voor.
Rond 1750 was de molen eigendom van Mr. J. Moorrees. Op 11 mei 1793 verkopen de erven van J. Moorrees de molen aan Peters van Driel.
De molen lag volgens de tranchotkaart van 1832 in Hatert sectie A1, perceel 107, eigenaar was toen Leonard Mertz, molenaar te Nijmegen. De huidige locatie van de voormalige molen is gelegen aan de Berg en Dalse weg ter hoogte van nr. 162.

Leonard Mertz was eigenaar van onderstaande percelen op Hatert sectie A 107;

Perceel Omschrijving Roeden Ellen
107 huis erf molen 6 40
108 tuin 17 40
109 bouwland 5 90
110 bouwland 68 50

Leonard Ignace Hubert Mertz, geboren te Roermond 1784, beroep koopman, trouwt op 10-08-1811 te Roermond met Maria Agnes Lambermont, geboren te Seraing 1790.

Molen de Goede Hoop, Hatert sectie A 107

Molen de Goede Hoop, Hatert sectie A 107

Molen de Goede Hoop, gelegen aan de Berg en Dalse weg werd op vrijdag 17 november 1854 door brand verwoest. Vanwege de oorlogs dreigingen in Europa in 1860, wilde de regering in Den Haag, met een aantal fortificaties de stad Nijmegen extra bescherming bieden door de bouw van o.a. de forten Sprokkelenburg en Nieuw Knotsenburg in Lent en het fort Kijk in de Pot. Op de locatie van afgebrande molen de Goede Hoop werd in 1861een fort gebouwd, dat de naam meekreeg, “De Verbrande Molen”. Lang heeft dit fort hier niet gestaan want met de ontmanteling van de vestingwerken in 1877 is het weer afgebroken.

nijmegen_03

Aquarel van Rudolphus Lauwerier, bouw van fort “De verbrande Molen”, op de achtergrond de molen van Post.

Artikel in de Provinciale Geldersche en Nijmeegsche Courant van 17-11-1854;

Onder het afdrukken dezes is onze stad in de grootste verslagenheid, wegens het uitbreken van eenen verschrikkelijken brand, ontstaan in de koornmolen van den Heer Mertz, even buiten de Hertogsteegpoort. De hevige wind en het volslagen gebrek aan water, op die plaats, maken alle redding hopeloos, zoodat de molen en huis eene prooi der vlammen zullen worden. Gelukkig dat geene huizen in de nabijheid eenig gevaar te duchten hebben.
In de Provinciale Geldersche en Nijmeegsche Courant van 22-11-1854 staat een vervolg artikel over deze brand;

Vrijdag avond, ten half 8 ure, onder het afdrukken van ons vorig nummer, waarin wij met eenige regelen daarvan melding maakten, vertoonde zich plotseling aan den Zuid-Oostenlijken horizon een fel licht, dat den geheelen hemel rood kleurde. Vol van schrik over dat verschijnsel, dat brand verkondigde, was men eenigen tijd in de onzekerheid, waar die brand was ontstaan, toen men spoedig vernam, dat de pel-en koren-molen van den Heer Mertz, even buiten de Hertogsteegpoort, en het daarachter staande huis in volle vlam stonden. Hoe dezen brand is ontstaan is niet te bepalen, maar dat is zeker, dat dezelve zoo spoedig is toegenomen, dat de vlam weldra de kap uitsloeg en al het inwendige van den molen uitbrandde zonder dat er redding mogelijk was, terwijl, door het vallend brandend hout, spoedig het, achter den molen staande, molenaarshuis en eene hooimijt in vlam geraakten en geheel afbranden. Het naast den molen staande huis bleef gespaard, doordat den wind Noord-Oostelijk was. Volslagen gebrek aan water, op deze hoogte, den Hunnerberg, was oorzaak dat men volstrekt geene hulp tot stuiting van den brand kon aan brengen, niet tegenstaande honderde menscheen uit de stad tegenwoordig waren. De percelen zijn tegen brandschade gewaarborgd.

Gezicht op Nijmegen vanuit het zuidoosten circa 1790, links de Witte molen uit 1760 en rechts molen de Goede Hoop.

Gezicht op Nijmegen vanuit het zuidoosten circa 1790, links de Witte molen uit 1760 en rechts molen de Goede Hoop.

De brand van 1854 was niet de eerste, al eerder kraaide de rode haan op deze molen.
Artikel in de Provinciale Geldersche en Nijmeegsche Courant van 14-06-1837;
Zondag morgen ontstond er brand in den molen van den Heer Mertz, buiten de Hertogstaagpoort, van welk men de oorzaak niet kan opsporen. De bovenste zoldering en eenig houtwerk is uitgebrand, terwijl aan de gepaste redmiddelende spoedige stuiting van den brand is toe te schrijven.
Aquarel van Rudolphus Lauwerier, van de bouw van fort "De verbrande Molen", met op de achtergrond de molen van Post.

Aquarel van Rudolphus Lauwerier, van de bouw van fort “De verbrande Molen”, met op de achtergrond de molen van Post.

De tweede molen; molen tot Voordeel en Genoegen
Op de Hottinger kaart uit 1780 staat deze molen als oly molen vermeldt, op een kaart van Willem Beyerinck uit 1782 staat bij deze molen vermeldt; “Olie Moole van de Heer Moorrees“. Hieruit blijkt dat Mr. J Moorrees eigenaar van molen de Goede Hoop ook de bouwer en eigenaar is van deze molen.

Volgens de tranchotkaart uit 1832 is Maurits Wessel van Velp, koopman te Nijmegen, eigenaar van deze molen, gelegen te Ubbergen sectie A1 perceel 171.

Afbeelding links: Kadaster kaart Ubbergen 1832, met de molen op sectie A 171.
Afbeelding rechts: Kaart Willem Beyerinck uit 1782, met de Oliemolen van de Heer Moorrees.

Maurits Wessel van Velp is eigenaar van onderstaande percelen in de buurtschap Hengstdal, Ubbergen sectie A1 ;

Perceel Omschrijving Bunder Roeden Ellen
161 bouwland 2 8 10
162 hakhout 62 40
163 bosch 61 50
164 gerooijd
165 bouwland 64 80
166 schuur erf 2 30
167 tuin 14 20
168 tuin 3 40
169 huis en erf 9 70
170 hakhout 46 90
171 huis molen erf 37 10
172 tuin 12 10
173 onbewerkte grond 15 20
174 bouwland 38 50
Kadasterkaart 1830 van buurtschap het Hengstdal, Ubbergen sectie A

Kadasterkaart 1830 van buurtschap het Hengstdal, Ubbergen sectie A

 

Aquarel van J. van Leeuwen, gezicht op molen tot Voordeel en Genoegen, 1826

Aquarel van J. van Leeuwen, gezicht op molen tot Voordeel en Genoegen, 1826

Gezicht op de molen tot Voordeel en Genoegen welke gelegen was aan de weg van Nijmegen naar Berg en Dal. De gebouwen aan de horizon links van de molen, vormen het gehucht St. Anna. Rechts naast de molen aan de horizon de kerktoren van Hees. De wagens rijden over de hoog gelegen Ubbergse veldweg richting Stollenberg, die parralel loopt aan de grote weg van Nijmegen naar Berg en Dal. Aan de lange schaduw te zien is het in de namiddag, de bezoekers van de stad trekken met hun rijtuigen huiswaarts. De schilder heeft op een hoog punt op de Hengstberg (achter huidige St Maartenkliniek) gestaan. De molen is volop in bedrijf en staat op het zuid westen te draaien, opgezeild met vier halve lange. Links staat een boerderij van het gehucht het Hengstdal, gelegen aan de Berg en Dalse weg. Voor de molen langs loopt de weg van Nijmegen naar Kleef, de oude Kleefse baan, zichtbaar aan de lintvormig begroeiing.
Molen tot Voordeel en Genoegen ook wel de molen van Post genoemd, tekening H.D.J. Schevichaven 1845.

Molen tot Voordeel en Genoegen ook wel de molen van Post genoemd, tekening H.D.J. Schevichaven 1845.

De molen van Post gezien vanaf de Berg en Dalse weg richting Nijmegen, boerderijen onder aan de heuvel zijn van het buurtschap Hengstdal.

nijmegen_11

In het Algemeen Handelsblad van 14-04-1837 wordt de olie en pelmolen te koop aan geboden voor een som van FL 5800,-.

Molen van Post vanaf de Oude Kleefse baan, tekening Frederik Hendrik Ampt 1864

Molen van Post vanaf de Oude Kleefse baan, tekening Frederik Hendrik Ampt 1864

Maurits Wessel van Velp, geboren te Beuningen 1787, als zoon van Gerrit van Velp (predikant te Beuningen en later Lent) en Margaretha Wessels, beroep koopman, overlijdt ongehuwd op 21-12-1839 ‘s morgen om half negen aan de Haven wijk D 190 te Nijmegen, oud 52 jaar.

Na het overlijden van Mauritz van Velp worden, in onderstaande advertentie, de roerende en onroerende goederen uit de erfdeling te koop aangeboden, waaronder de molen. De in de advertentie genoemde Heer Post van de Nonnedaalse weg is de molenaar of pachter van deze molen, welke ook wel bekend staat als de molen van Post.

nijmegen_13In de Provinciale Geldersche en Nijmeegsche Courant van 11-04-1840 wordt de molen te koop aangeboden;

Molenaars in Nijmegen;
Bron: Adresboek voor Nijmegen en het Schependom 1868

In 1868 woonde aan de Grootestraat op perceel D273, Jan Rombout Post, beroep olieslager.in de nabijgelegen Bottelstraat woont op D158 Jacobus Johannes Schoonwater, molenaar van de Huberts molen, in de Oude Haven op perceel D187 woont molenaar Hermanus van Egeren.

Jan Rombout Post, geboren te Tiel 1781, als zoon van Hermanus Post en Eva van Riemsdijk, beroep koopman is gehuwd circa 1814 met Sara Hillegonda Reiners, geboren te Steenwijk 1785, als dochter van Arnoldus Luberus Riners en Catrina Verschuil.

In 1832 is Jan Rombout Post eigenaar van een huis en erf aan de Nonenstaat D362 te Nijmegen perceel C2238 en C2239.

Molenaar en koopman Jan Rombout Post woont in de benedenstad waar ook de handel en overslag van goederen plaats vindt, zijn kapitale oliemolen staat buiten de stad op de hoge gelegen Hengstberg.

Molen tot Voordeel en Genoegen ook wel de molen van Post genoemd circa 1850.

Molen tot Voordeel en Genoegen ook wel de molen van Post genoemd circa 1850.

Aan de horizon links naast de molen de in 1849 gebouwde Anna molen, rechts daarvan het gehucht St. Anna, in het verlengde van de weg de kerktoren van Hees, rechts de Sint Stevenskerk van Nijmegen. De weg op de voorgrond is de Ubbergse veldweg, lopende richting Nijmegen.
Provinciale Geldersche en Nijmeegsche Courant 25-08-1871

Provinciale Geldersche en Nijmeegsche Courant 25-08-1871

Op 28-8 1871 wordt de molen bij opbod te koop gezet, inzet Fl 9800,-

Op een wandelkaart Van Nijmegen naar Berg en Dal, uitgegeven door Cranendonck in 1885, staat op de locatie van de verdwenen molen “Afgebroken Molen”.

nijmegen_16

Uit bovenstaande advertentie uit de Provinciale Geldersche en Nijmeegse Courant van 25-05-1879, blijkt dat de molen vóór 1879 is afgebroken.

De molen werd in 1873 afgebroken; het molenhuis bleef staan. De 12e juli 1894 verkocht de weduwe Elisabeth Catharina Post – Turnhout het hele terrein met opstal voor tienduizend gulden aan een gepensioneerde kapitein van het K.N.I.L., de 54-jarige weduwnaar Herman Garolus Graeuwen. Deze liet het molenhuis afbreken en ter plaatse villa “Willemsheuvel” neerzetten, die hij in 1895 betrok.

De derde molen; een olie en runmolen
In 1777 bouwde Jacobus de Man in compagnonschap met B.L. Westenbergh en Willem Landman uit Zwolle, een windmolen op de plaats van het huidige hotel “Val Monte”. Deze molen had als taak boomschors te malen dat afkomstig was van de vele landgoederen rondom Berg en Dal en omstreken.

De Looimolen van de Heer de Man, op een kaart van Willem Beyerinck uit 1782

De Looimolen van de Heer de Man, op een kaart van Willem Beyerinck uit 1782

De eekmolen was geen lang leven beschoren, als gevolg van de Bataafse omwenteling, raakte de handel grotendeels verstoord. In 1789 wordt een verzoek ingediend door de toenmalige eigenaren van deze runmolen, Jacobus de Man en Willem Landman- Westenberg was in 1780 overleden- aan de Rekenkamer. In dit verzoek vraagt Jacobus of hij de looimolen mag ombouwen tot een korenmolen, in verband met afzetproblemen op de runmarkt. Voor deze ombouw wilden ze het benodigde gemaal, dat zich nog in de voormalige korenwatermolen te Beek bevond, in de windmolen plaatsen. De gebouwen van deze korenwatermolen waren door de eigenaren van de windmolen, in gebruik als leerlooierij. De Staten van Gelderland wijzen het verzoek echter af. Zij vreesden mét de Groesbeekse molenaar Lam(b)ert Hopman(s), dat de nieuwe korenmolen de molen (Noordmolen) van Groesbeek te veel zou beconcurreren. Van die molen hadden de Staten sinds 1769 jaar bezitter van de Heerlijkheid Groesbeek ook hun inkomsten. Een deel van de eikenschors zal vóór 1777 door de looimolen die in een voormalige waterkorenmolen (molen bij het Spijker) aan de andere zijde van de stuwwal in het Elzendal in Beek was gevestigd, zijn verwerkt. In 1797 verkochten De Man en Landman de molen, die dan als run en pelmolen in gebruik is aan Johan Adolf Quak, die behoorde tot een van de toenmalige landgoedbezitters van de Meerwijk. Quak laat deze run en pelmolen spoedig ombouwen tot oliemolen, bestemd voor het uit zaden persen van olie. Ook de oliemolen is geen lang leven beschoren, want rond 1837 blijkt deze, volgens een advertentie in de Gelderlander afgebroken te zijn. Het perceel grond met hierop een huis met loods, waarop de voormalig oliemolen van J.A.Quack stond, wordt op een openbare veiling in het “Roode Hert” te Ubbergen op 28-12-1837 te koop aangeboden. Het perceel is groot 1 bunder, 6 roeden en 60 ellen ligt boven het dorp Beek, onder Groesbeek sectie H nr 28 t/m 32. Het enige dat ons nog herinnerd aan het bestaan van deze molen is de naam van het dal, gelegen tegenover het huidige hotel “Val Monte”. Vanaf uitzichtspunt hier, de Wolfsheuvel genaamd, kijkt men uit over het z.g. “oliemolendal”.

Advertentie in de Provinciale Geldersche en Nijmeegsche Courant van 23-12-1837

Advertentie in de Provinciale Geldersche en Nijmeegsche Courant van 23-12-1837

In het boek Camara obscura, van dichter en schrijver Nicolaas Beets die onder het pseudoniem Hildebrand schrijft, staat onderstaande passage;

Beek, donderdag 20 augustus 1835

Ik bestijg het hoogste punt dat ik bereiken kan. ‘t Is bij een molen die op een hoogen heuvel op een soort van walletje staat. Ik leun mij aan het molenrad, en hang mijn hoed aan een der spaken.

De molen die Nicolaas Beets in zijn dagboek aanhaald, is de windmolen van J.A. Quack, een grond of beltmolen, die boven aan de Stollenbergse weg heeft gestaan.

In het boekje van de Hildebrand Route uitgegeven door Thed Maas en Geert Willems, staat op blz 38 bij de uitleg over bovenvernoemd citaat: “de molen waar Beets in zijn dagboek over rept is een watermolen geweest“. Aangezien de molen boven op de berg staat, is een watermolen op deze locatie uitgesloten, ook het molenrad (kruirad) met spaken waaraan hij de hoed hangt, verwijst in de richting van een windmolen.

Detail van een prent gemaakt door Barend Cornelis Koekkoek in 1830, met zicht op Beek, boven op de heuvel staat de molen van Quak.

Detail van een prent gemaakt door Barend Cornelis Koekkoek in 1830, met zicht op Beek, boven op de heuvel staat de molen van Quak.

Op de kaart van Persingen uit 1802, staat de molen afgebeeld als grondzeiler of beltmolen. Bron boek van ooijpolder en Duffelt, op blz. 28.

Met de komst van de Fransen in 1795 worden de Heerlijke rechten afgeschaft en vervalt hiermede de molendwang. Als gevolg van de vrije concurrentie vindt een enorme toename plaats van nieuwe molens in het land. Echter bij ons in de regio gebeurt iets merkwaardigs, in plaats van dat er nieuwe molens bijkomen worden reeds bestaande molens, opgekocht en afgebroken, zoals de derde molen, boven aan de Stollenbergse weg en de Biesseltse molen te Mook. De man achter deze heimlijke manier van werken blijkt Gerardus Roelofs te zijn (molenaar, grondaankoper, aannemer, onroerendgoed bezitter en herbergier), een man met veel macht, die een aantal molens in zijn bezit heeft. Geradus Roelofs treedt regelmatig op als een soort bank van lening, die geld verstrekt aan z.g. stromannen om hiermee een mogelijke concurrent uit te kopen. Zodra een molen aangekocht is, wordt hier een ‘bevriend’ molenaar opgezet, die financieel afhankelijk is van Gerardus Roelofs, en zodoende naar zijn wensen moet handelen. Hierdoor creëert Gerardus Roelofs een monopoly positie, en kan hiermee zelf de prijs van het te malen goed bepalen. In 1830 dient Gerardus Roelofs een verzoekschrift in om in Zyfflich een nieuwe molen te bouwen, hiervoor wil hij de door hem gekochte Biesseltse molen gebruiken. Echter door problemen met de bouwvergunning aldaar en het feit dat de verplaatsen molen in door Belgische revolutie (1830-1837) bezet gebied staat, wordt de molen in 1833 naar Swolgen verplaatst, welke binnen bezet gebied ligt. Pas in 1838 krijgt Gerardus Roelofs toestemming om een molen te Zyfflich te mogen bouwen.

Groesbeek, januari 2016
Peter Pouwels

Bronnen; Geldersch Archief, Regionaal Archief Nijmegen, wat was waar, beeldbank cultureel erfgoed, Hildebrand route, Geldersch lustoord, Nijmegen en omstreken van C.Ten Hoet, boek Ooijpolder en Duffelt, Historische Atlas van Nijmegen, Sprekend Landschap, www.sprekendlandschap.nl, Altrade een wijk van Nijmegen Oost deel 1.

Met dank aan Hans Giesbertz, Jan van Eck, Ton Strijbosch en Mia Verbeet.